PDA

View Full Version : Skwuig Schrijfuitdaging 11


Inwinyàre Aranel
2 February 2008, 22:47
Met gepaste trots de nodige vertraging ( )
Presenteren Paz en Janus:

Skwuig Schrijfuitdaging 11
Een dag uit het leven van...

De opdracht:
~ Beschrijf een dag uit het leven van de hoofdpersoon.

De voorwaarden:
~ De hoofdpersoon moet van een ras zijn wat je zelf hebt verzonnen (wat zo bizar of doorsnee kan zijn als je zelf wilt)
~ Er moet op deze dag wel iets gebeuren en het mag niet iets volijks zijn. Wellicht een dreigende veldslag, een (groot) verlies of een ruzie. Dit hoeft niet bepalend te zijn voor het verhaal, het kan een zijlijn er in zijn.
~ De bovenstaande gebeurtenis moet duidelijk maken wat (een deel van) de gewoontes van het zelfgemaakte ras zijn op dat gebied.
~ De wereld en de tijd zijn eigen keus.
~ Het verhaal dient te worden geschreven in de derde persoon of vanuit de Alwetende Verteller.
~ Er mogen minimaal 1.000, maximaal 2.000 woorden gebruikt worden, met inachtname van de 10% regel.

Aanvullend:
~ De deadline staat op 10 juni.

Wij wensen iedereen veel succes en veel plezier met het schrijven!

- P. & J.

Inwinyàre Aranel
2 February 2008, 22:47
Maya

Het zweet droop van haar lichaam af. Al drie dagen lang ploegde ze met een zware kar achter de rug. Ze wist niet waarom ze die kar met die man moest trekken maar als ze het niet deed voelde ze een zweep op haar rug. Wegrennen kon ook niet want ze zat vast met kettingen. De tovenaar die haar gemaakt had had haar verkocht. Waarschijnlijk was ze gewoon een mislukt experiment. Of hij had haar misschien gemaakt voor de grap. Het ergste was dat ze kon denken en doen net als ieder wezen op deze planeet. Ze had geen moeder nog vader. Ze was een mengelmoes van allerlei genen die hij samengevoegd had en gemaakt tot een wezen. Ze was niet de enige, er waren nog een stuk of twintig anderen. Ze noemden hun allergaaien. Ze had vier roze armen, die er menselijk uitzagen, bruine benen van een paard. Wat nog behoorlijk lastig lopen was, aangezien ze er maar twee had. Het rode hoofd van een fenix en het groene bovenlijf van een goblin.
Iedereen die haar zag lachte haar uit. Toen de tovenaar haar voor het eerst aan de menigte liet zien hebben zelf mensen en andere wezen rot eten naar haar gegooid. Zij kon er toch ook niks aan doen dat hij haar gemaakt had en dat ze zo lelijk was. Haar benen begonnen te knikken, ze had nu echt rust nodig, ze liep al drie dagen non stop wat wou die man toch van haar, waarom mocht ze geen rust hebben. Haar benen begonnen erger en erger te trillen, haar rug deed pijn van de zweepslagen, haar polsen brandde van de warme boeien. Ze probeerde de pas erin te houden maar het lukte niet, ze begon wat langzamer te lopen. *klets* De zweep raakte voor de zoveelste keer haar rug, haar benen begaven het en ze viel op de grond. Ze haalde zwaar en diep adem. *klets* weer sloeg die stomme man haar met de zweep, maar ze kon niet omhoog. Iedere spier deed pijn, ze was dood op. Ze begon te hoesten, een straaltje bloed liep uit haar mond. *klets* Waarom slaat die idioot me toch met een zweep. Ziet hij dan niet dat ik pijn heb. frustratie en woede maakte haar de afgelopen drie dagen gek. Gekraak de mam kwam van de kar af. "Stom beest sta op en loop verder. Ik heb je niet voor niks gekocht. De tovenaar zei dat je vele afstanden kon afleggen, waarom doe je dat niet." Ze tilde haar hoofd op en keek hem kwaad aan. "Ik heb pijn en ben moe, ik heb vele dagen gelopen zonder rust. Ik heb ook gevoelens dus kap een met die klote zweep" schreeuwde ze tegen die man. De man keek haar verbaasd aan, toen hij haar kocht begreep hij dat het een of ander wezen was om dingen vooruit te trekken, het was hem nooit verteld dat ze kon praten en denken en voel. "Je je je kan praten" stotterde de man. "Wat voor duivels gebroed ben jij." Ze keek de man nu nog kwader aan. "Ik ben gemaakt door de tovenaar, waarom weet ik niet. Maar ja ik kan praten, denken en voelen. En nee ik vind het niet leuk als mensen rot eten naar me gooien, me uitlachen of schelden. En ik ben geen duivels gebroed maar een normaal levend wezen. Dus wat meer vriendelijkheid mag wel." De man trapte haar vol in de ribben. "Vriendelijkheid waarom zou ik. Je hoort een soort werkpaard te zijn, geen pratend iets. Je moet gewoon je kop houden en trekken." Ze spuugde naar de voeten van de man. "Ik hoop dat ooit iemand jou koop en je voor een kar spant. dan weet je hoe het voelt." De man werd kwaad en vloog haar aan. De sloeg naar hem, maar blijkbaar was ze sterk, want de man vloog weg. Bewusteloos lag hij een eindje verderop. Ze liep naar hem toe en pakte de sleutel van zijn riem. Met moeite maakte ze haar boeien los.
Met de laatste kracht die ze had kroop ze richting de rivier die ze iets verderop hoorde. Doorns en brandnetels irriteerde haar huid, maar ze kroop door, ze mocht niet opgeven, misschien kon ze ontsnappen. Maar waar zou ze eigenlijk naar toe moeten, zou er ergens op deze wereld een plek zijn waar ze normaal tegen haar zouden doen? Of had de tovenaar gelijk toen ze hem tegen anderen hoorde praten. Dat ze waren gemaakt om te gehoorzamen en niet te denken. Blijkbaar had ze een klein beetje geluk, er dreef een dikke tak in het water. Met moeite liet ze zich in het water vallen, in de hoop dat ze niet zou zinken. Ze wist niks van haar eigen lichaam, de tovenaar had wel wat test met haar gedaan, maar haar nooit wat over verteld. Hij deed gewoon simpelweg of hij haar niet verstond. Tegen anderen zei hij dat ze gehoorzame beestjes waren die niet konden denken. Het water prikte aan haar lijf als duizenden naalden, zo koud dat het was. Maar aan de andere kant was het ook aangenaam omdat haar lichaam zo overbehit was. Met moeite trappelde ze richting de tak. Tijdens de poging om bovenop de tak te komen ging ze en paar keer kopje onder. Maar het lukte eindelijk. En daar bovenop de tak gingen haar gedachten weer verder. Wie ben ik. Waarom ben ik gemaakt, zal ik ergens geaccepteerd worden. Bestaat deze hele wereld vol met van die dominante mensen. Langzaam werd alles zwart voor haar ogen en viel haar lichaam bewusteloos op de tak. Toen ze weer bij kwam was ze onder water, boven haar was een witte kolkende massa. Ze trappelde en trappelde. Het lukt haar om boven te komen. Van achter haar klonk het kletterde geluid van een hoge waterval. Een net viel over haar heen, ze werd richting de kant getrokken. Weer maalden haar gedachten, Word ik weer gevangen genomen en geslagen. Moet ik weet ik weet niet hoelang werken zonder eten, drinken en rust. Met grof geweld werd ze op de kant getrokken.
Op de kant ademde ze diep in en keek de persoon aan die haar gevangen had. "Wie ben jij, wat ben jij" vroeg ze aan het zwarte wezen dat boven haar gebukt stond. Het zwarte wezen knipperde verbaasd met zijn ogen. "Jij kan praten", vroeg hij. "Ja" zuchtte ze vermoed. "Maar wat wil je van me. Is het al niet genoeg wat ik heb moeten doorstaan." Het zwarte wezen haalde het net van haar af en ging naast haar zitten. "Wat ben jij en wat heb je allemaal meegemaakt." Ze had al snel in de gaten dat dit wezen anders was dan die mensen. Ze ging rechtop zitten en vertelde haar korte maar rotte leven. Een tovenaar heeft me gemaakt van verschillende wezens, te samen met nog een paar anderen, daarna deed hij onderzoeken met me. Hij negeerde me altijd of ik een dom wezen was zonder spraak, hersenen en gevoel. Blijkbaar ben ik gemaakt om gehoorzaam te zijn, en meestal ben ik dat ook als ze goed voor me zijn. Vervolgens laat ie mensen me onder gooien met rot eten. Om me vervolgens te verkopen. Die klootzak liet me drie dagen lopen zonder eten, drinken en rust." Nu keek de man haar nog verbaasder aan. "Jij kan drie dagen zonder, eten drinken en rust. Dan moet jij wel een heel sterk wezen zijn." Wat ze niet wist was dat die man met wie ze sprak een drow was. Een wezen wat wel geïnteresseerd was in een sterk wezen zoals zij. Omdat ze zeer bruikbaar kon zijn. Vooral als ze een haat had naar andere wezens. Hij had snel een plan bedacht. Hij zou haar haat tegen andere wezens vergroten en haar gebruiken in hun gebruikelijke aanvallen op andere stammen. Een sterk wezen als dit is zeer nuttig. Vooral ze ze gewaardeerd voelt bij ons. Hij keek haar vriendelijk aan een zei. "Ik ben Halis Glannath, een drow. Kom met me mee naar mijn huis. Dan kan ik je wat te eten en drinken aanbieden." Ze keek hem blij aan "ja graag" antwoordde ze. "Heb je een naam vroeg Halis". "Nee de tovenaar heeft daar nooit moeite voor genomen. Hij noemde me altijd ding." "Dan geef ik je toch een naam" zei Halis. "Laat me eens denken wat dacht je van Maya?" "Klinkt goed" zei ze. "Nou Maya fijn je te hebben ontmoet". zei hij terwijl ze richting zijn huis liepen. "Ik hoop wel dat je in het donker kunt zien, ik woon namelijk onder de grond". "O ja meneer is zie overdag en nachts even goed" zei Maya.
Na een tijdje kwamen ze aan bij een grot waar nog meer van die wezen stonden als Halis. Maya zei ze netjes gedag en Halis zei wat tegen ze in een vreemde taal. Een van de mannen knikte en rende naar binnen. Bij Halis kreeg ze een schaal vol heerlijk eten en een mok vol wijn. Zo noemde Halis het. En het was echt heerlijk. Na een tijdje kwam een vrouw binnen. Ze was prachtig om te zien. Halis stond meteen op en boog diep voor haar. Maya volgde Halis voorbeeld en boog ook diep. "Zo dus jij bent het wezen dat verstoten is door de wezens van het oppervlak." Haar stem was even mooi als haar uiterlijk. "Ik ben Lloth en ik en mijn mensen zijn ook verstoten door de wezens van boven." Maya knipperde vol ongeloof met haar ogen. "Maar u bent zo mooi, waarom zouden ze dat doen" vroeg Maya. Lloth lachte vriendelijk naar haar," jaloerszie mijn meisje jaloerszie. Als met me mee komt naar mijn tempel maak zal ik je wat geven. Maar in ruil daarvoor moet je met ons meevechten". "Ja dat is goed" riep Maya uit. "Ik zal ze laten zien dat er niet te spotten valt met mij." Riep Maya uit. Ze volgde Lloth naar haar tempel, het zag er eng uit maar ze vertrouwde de vrouw. In de tempel sprak Lloth een spreuk over haar uit. Het deed pijn zoveel pijn. Ze baalde haar vuisten. het zou haar beter maken. Ze kon dit wel hebben. Ze voelde woede heel veel woede en haat. Alle liefelijke gedachten die ze had vloeiden weg, Ook dat kleine beetje denken voor zichzelf vloeide weg. Het enige waar ze nog aan kon denken was Lloth helpen als die verschikkelijke wezens te doden.
Die nacht na even wat gerust te hebben ging ze naar buiten samen met Lloth's leger, ze gingen een nabij gelegen dorp aanvallen, en alles doden wat er levend was. Haar ogen waren zwart, Haar huid zwart als de nacht. Lloth zei dat het zou helpen die wezens makkelijker te doden. Omdat ze haar bijna niet zouden kunnen zien. Lloth had haar zelfs kleren en wapens gegeven. Halis had haar naderhand verteld dat ze een godin is. Een waardige godin vond Maya want zij gaf me de kracht en haat om de wezens die haar eens het leven zo zuur maakte te doden. Ze mocht zelfs in de frontlinie lopen. Met ieder wezen wat ze dode werden haar gedachten duisterder. Ze had zelfs geen medelijden met de kinderen die ze dode, want ook hun zouden worden als hun ouders, dat had Lloth haar verteld, niemand zou van haar houden behalve Lloth en de drow. Lloth aanbid ze, ze was het beste wat ze tegen gekomen was in haar hele leven. Na het bloedbad keerde ze terug, ze had wel wat wonden, maar dat kon haar niet schelen, iemand had ze al vervonden voor haar. Daar lag ze voor de tempel wat uit te rusten en te waken over Lloth, haar godin, het meeste mooiste, machtigste en liefste wezens wat ze ooit ontmoet had. Haar nieuwe bestaan zou inhouden Lloth te gehoorzamen, niet langer zal ze gehoorzaam alles toelaten wat de bovenaardse wezens haar vertellen. Lloth wist wat het beste was voor haar.

Inwinyàre Aranel
2 February 2008, 22:48
verwijderd op verzoek auteur.

-Nienna.

Inwinyàre Aranel
2 February 2008, 22:49
De dag dat alles anders werd

Eamane zat aan de rand van het meer te genieten van de zon. Achter haar floten de vogels in het grote bos. Samen met een paar vrienden waren ze vanuit het dorpje naar het meer gelopen. Het was nog een redelijke afstand, maar op een mooie dag als deze was het een schitterende reis. Het dorpje waar ze in woonde was zo klein dat het geen naam had, al noemde de bewoners het Baile, wat in de Oude Taal Thuis betekende. Veel Soith van Eamanes leeftijd spraken de taal niet goed, want ze waren te speels en te nieuwsgierig om zich lang over de saaie stof te buigen.
Tegen de middag waren ze bij het meer gekomen, en de meesten waren nu in het water aan het spelen. Eamane bekeek zichzelf in het spiegelende meer. Haar lange groen blauwe haar golfde over haar schouders. Haar huid was licht blauw, zoals bij alle Soith het geval was, en haar ogen waren groot en donker, even peilloos als de zee. Net als de andere Soith had ze vliezen tussen haar vingers en tenen, puntige oren en een kleine platte neus. Met haar 17 jaar was ze een van de oudsten, maar bij dit groepje deed leeftijd er niet zo toe. Plotseling voelde ze een plens water over zich heen komen, en lachend sprong ze het meer in om een water gevecht met haar beste vriendin te beginnen. Eamane en Nenharma gilden het uit van plezier. Ze doken onder water en speelden jagertje met de vissen. Al gauw werd hun aandacht getrokken door iets dat op de bodem lag te schitterend, en ze waren niet de enige die er naar toe zwommen. Naarmate ze verder kwamen leek het object zich ook verder van hen te verwijderen, maar ze gaven het niet op. Geen van hen merkte dat ze de rivier naar het zuiden op zwommen, geen van hen merkte dat het water steeds kouder werd. Toen was er plotseling gedrang, en degenen die voorop zwommen probeerden over de anders heen weer terug naar het meer te komen. Even was Eamane in de war, ze kon niet zien wat er aan de hand was. Maar al snel zag ze waarvoor haar vrienden vluchten. De Oicirg, de grootste vijand van de Soith, hadden hen de rivier opgelokt en probeerden hen nu te vangen. Met netten en stokken gooiden de Oicirig naar het groepje vrienden dat zo snel mogelijk weer naar het meer probeerde te komen. Eamane, Nenharma en nog drie anderen slaagden erin de netten te ontwijken en het meer weer te bereiken, maar vijf Soith werden gevangen genomen. Zo snel als ze konden zwommen Eamane en anderen terug naar de andere kant van het meer, om vandaar hun weg naar het dorp rennend te vervolgen.
De dorpelingen keken verbaasd op toen ze de vijf jongelingen zagen rennen, en al gauw had zich een menigte verzameld rond het vijftal. Iedereen wilde weten wat er gebeurt was. Uiteindelijk nam de dorpsoudste hen mee naar het raadshuis, waar ieder zijn verhaal moest doen. De ouders van de verdwenen Soith waren erg bedroefd, maar de dorpsoudste maande hen tot stilte. “Wat zij deden was dom en onverantwoordelijk.” Sprak hij. “Iedereen weet dan de overkant van het meer alleen gevaar herbergt, en hoe spannend dat ook mag lijken, degenen die zich er toch wagen worden aan hun lot over gelaten. Wat jullie betreft…” Vervolgde hij met een blik op het vijftal. “Jullie waren ongehoorzaam, en dat jullie hier staan is op zichzelf al een mirakel. Jullie vrienden waren niet zo fortuinlijk. Vanaf vandaag zullen jullie twee watermaanden in het dorp moeten blijven. Dus geen verstoppertje in het bos, niet zwemmen in het meer, niks. Zij die alsnog wel het dorp uitgaan worden per direct als verstoten gezien. Bedenk jullie maar eens goed wat de gevolgen zullen zijn voor degenen die het niet gehaald hebben.” Met die laatste woorden liep de dorpsoudste het gebouw uit. Morgen zou er een ritueel gehouden worden voor de vijf Soith die het niet gehaald hadden, en daarna zouden ze vergeten worden. Verdrietig stond Eamane op en liet zich wegleiden door haar ouders, en ook de anders werden naar huis gebracht. Op haar kamer liet Eamane zich op haar bed vallen en staarde naar het plafond. Ze waren inderdaad dom geweest. Iedereen wist dat de Oicirg een gevaarlijk en gemeen volk was, dat de Soith als slaven verkocht. Er gingen zelfs geruchten dat ze de Soith vilden en daarna hun huiden tot mantels maakten en die verkochten. Ze stonden er om bekend dat ze aan de overkant van het meer de iets te nieuwsgierige Soith opwachtten, om ze dan te vangen en te verkopen. Huiverend draaide Eamane zich om. Zij was ontsnapt, maar vijf anderen niet. Dat waren vrienden van haar geweest. En nu zou ze hen nooit meer zien. Haar vrienden waren gevangen genomen en zouden de rest van hun leven doorbrengen als slaaf bij een wrede Oicirg.
Toen ze die morgen was opgestaan had ze nooit gedacht dat er zoiets zou gaan gebeuren. De zon had geschenen, de vogels hadden gefloten en zij en negen vrienden hadden besloten in het meer te gaan zwemmen. Onderweg hadden ze verstoppertje gespeelt, bessen verzameld en heel veel pret gehad. Ook bij het meer had iedereen zich prima vermaakt, in het water of aan de kant, dat maakte voor de Soith niets uit. En toen waren ze door een vervloekt glimmertje naar de andere kant van het meer gelokt, en vervolgens de rivier op. Daar hadden de Oicirg klaar gestaan met hun stokken en netten. Eamane wreef over haar arm en voelde een kleine snee waar een van de stokken haar geraakt had. Nu pas voelde ze de blauwe plekken en schrammen die ze had opgelopen toen iedereen weg vluchtte van de Oicirg. Een traan rolde over haar wang. Vijf van haar vrienden zou ze nooit weer zien. Het enige wat zij had opgelopen waren een paar blauwe plekken en schrammen, en twee watermaanden huisarrest. Vergeleken met wat hun te wachten stond was dat helemaal niets. Menig Soith zou huiveren bij de gedachte aan twee watermaanden huisarrest, vooral nu het damp seizoen eraan kwam, maar voor Eamane stelde het niet meer zoveel voor. Waarschijnlijk zou ze voorlopig toch geen zin hebben om te spelen.
Een stem riep haar terug naar de werkelijkheid, het was tijd om te eten. Eamane stond op en liep naar de keuken, maar kreeg geen hap door haar keel. Al snel mocht ze weer opstaan en ging ze onmiddellijk terug naar haar kamer. Bedroeft plofte ze op een stoel en leunde met haar ellebogen op het raamkozijn. Tijden staarde ze naar buiten over de velden die aan het dorp grensden. In de verte zag ze nog net de glinstering van de meer. Ze vervloekte dat meer. Ze wilde het nooit weer zien. Door dat meer had ze vijf van haar vrienden verloren. Voortaan zou ze wel naar de zee gaan, al was het water daar vaak kouder dan in het meer, en de omgeving was er lang zo mooi niet. Maar na vandaag zou het meer nooit meer hetzelfde zijn. Hoeveel tijd er ook overheen ging, de herinnering aan haar verloren vrienden zou een bezoekje aan het meer altijd een nare nasmaak bezorgen. Zuchtend keek Eamane naar buiten. Uit een huisje vlak bij de hare zwaaide Nenharma zwakjes naar haar vriendin, en Eamane beantwoorde het gebaar. Achter de bomen begon de zon onder te gaan. De dag liep op zijn einde. Eamane wenste dat hij nooit begonnen was. Of dat ze niet besloten hadden naar het meer te gaan. Dan waren haar vrienden er nog geweest. Huilend zag Eamane de zon volledig achter de bomen verdwijnen, en toen het volledig donker was wende ze zich af van het raam en kroop in bed. Ze viel al snel in slaap, blij de dag even te kunnen vergeten. Maar ze wist dat die opluchting van korte duur zou zijn. Morgen zou het leven weer doorgaan, maar dit keer zonder vijf van haar vrienden. Na vandaag zou alles anders zijn. Vandaag was alles anders geworden.

Inwinyàre Aranel
2 February 2008, 22:49
Eeuwige verbintenis

Merth snoof luidruchtig. Ze dook ineen door het geluid dat ze maakte. Het kon niet anders of iemand had haar gehoord. Er hing ontzettend veel spanning op het eiland. De geur van bloed hing in de lucht. Dieper in de wildernis klonken de schelle kreten van de Verkar. Ze wist dat ze zelden zo ver het binnenland inkwamen. Ze snoof nog een keer, in een poging te achterhalen wiens bloed er gevloeid had deze nacht. De geur kwam haar angstwekkend bekend voor. De naam lag op het puntje van haar tong. Ze proefde het bloed bijna. Ze kende het zo goed…
De kreten kwamen dichterbij. Ze voelde hoe haar oren zich ongewild naar het geluid spitsten. De dunne zachte haren van haar borst streken over de grond door de spanning op haar gewrichten. De spanning raasde door haar lichaam. Als ze zou vluchten zouden de Verkar haar horen en haar achtervolgen en pakken, net als het slachtoffer dat ze deze ochtend hadden geveld. Ze rook hoe ongenadig die dood was geweest. Er had veel bloed gevloeid en de stervende had abnormaal lang op sterven gelegen. Ze voelde een steek van medelijden. Niet alleen omdat hij één van hen was, maar ook om de reden die ze zich niet kon herinneren. Een schelle kreet snerpte niet ver van haar boven de wind uit. Een takje achter haar maakte een luid krakend geluid. Merth sprong enkele meters vooruit en draaide zich met een ruk om. Afschuw vervulde haar. De zwarte vacht van Miclar glinsterde in het licht van de hoogstaande zon. Vergi di calancar. Zijn woorden klonken als regelrechte binnendringing in haar geest. Ze wierp hem haar meest hooghartige blik toe. Ga, nu je de kans nog hebt.
Miclar sloop omzichtig dichterbij en snuffelde aan haar. Waarom ga jij niet nu je de kans nog hebt? Of ben je te rouwig om je verloren vriend. Hij liep in een cirkel om haar heen en beet zacht in haar flank.
Merth draaide zich met een grom naar hem toe. Haar klauwen hauwden woest naar hem, maar hij ontweek haar spottend.
Weet je het dan niet? Ik dacht dat je het wel zou herkennen. Hij snoof nog luider dan zij de eerste keer had gedaan. Je laatste verovering nog wel.
Merth wierp hem een vernietigende blik toe en negeerde de kraaiachtige kreten die als antwoord op het gesnoof klonken. Ze hadden een buitengewoon goed gehoor. Ze zag dat Miclar een bezorgde blik om zich heen wierp. Bang geworden? Ze negeerde zijn eerdere woorden. Ze wilde niet geloven dat ze hem te pakken hadden gekregen. Op haar na was hij de snelste en de sterkste. De Verkar waren in het nadeel tussen de bomen, met hun enorme zwarte opvallende vleugels en hun brede bladvormige staarten. Het was een wonder dat ze zich vandaag door de wildernis bewogen zonder met hun vleugels te blijven haken.
Miclar wierp haar een veelbetekenende blik toe. Ik wel. Hij keek haar even aan, alsof hij wist dat de doodsangst voor de Verkar door haar heen gierde. Ga je met hem sterven?
Dus dat was wat hij dacht. Hij dacht dat ze hier bleef, als prooi voor de moordzuchtige Verkar, om dezelfde dood te sterven als… als… Trancar. Ze had hem jaren geleden ontmoet. Hij was nog maar net volwassen, een jaar oud. En hij was machtig. Machtig, terwijl zij dodelijk was, en gevreesd. Hij was de enige die met haar in zee durfde te gaan. Ze mocht hem. Meer dan dat zelfs. Tot in de ruwe nerven van haar huid voelde ze dat hij haar levenspartner was. Ze regeerde de Midin met hen, en waren zelfs beruchter en bekender dan de tijgers op het eiland. Normaliter zochten de Midin geen bekendheid. Enkel het leven, geleefd met nobelheid en eer. Het was een eer dezelfde dood als hem te sterven. Ze zou het hebben gedaan, als hij niet was gestorven door de Verkar. Stukje bij beetje was het vlees van zijn lichaam gescheurd door de genadeloze klauwen. Zijn bloed uitgezogen door de vlijmscherpe gekromde snavels. Ze wist dat het uren had geduurd eer hij was gestorven. Verkar speelden met hun prooi en genoten ervan. Trancar was machtig. Sterk. Hij zou het lang vol hebben gehouden. En zij was niet in de buurt geweest om hem te redden. Ze wierp Miclar weer een vernietigende blik toe. Ze wist waar hij op aasde. Hij was verachtelijk, net zijn vacht die zwart en kil was als de dood zelf.
Zijn gele ogen lichtten begeerlijk op. Ga met me mee.
Haar klauwen kliefden dieper in de mossige aarde. Trancar was dood. Meegaan met Miclar was het ergste wat ze kon doen. En dan nog wel met hém. Miclar ging geheel op in de duisternis als de nacht de wereld opslokte. De nacht was zijn leven. Hij besloop en verleidde, indruk makende met zijn talenten. Vroeger had ze het misschien overwogen. Miclar kon zich goed verbergen en dat was een schone zaak. Voordat zij en Trancar kwamen. Zelfs de leeuwen waren bang voor hen. Ze kwamen voor zichzelf uit op klaarlichte dag. Zij hadden gekozen voor het leven.
Een schaduw scheerde over hen heen. Miclar bewoog onrustig, maar bleef haar aankijken.
Hij kon niet werkelijk hopen dat ze met hem mee zou gaan. Dan stierf ze nog liever.
Het geruis van vleugels kondigde de gearriveerde Verkar aan.
Ontsnappen was niet mogelijk. Ze zouden hen omsingelen en achtervolgen, en niet stoppen voor ze hun prooi hadden. Er was geen wolkje aan de hemel. De Verkar waren in hun element. Daarom leefden ze aan de zee, daar waar het licht het felst was. Hier was nog de beschutting van bomen. Misschien zou één van hen, zij of híj, het halen. Ze was vastbesloten dat hij degene was die het niet haalde. Als reactie daarop en als antwoord op zijn vraag schoot haar klauw fel naar hem uit. Haar nagels groeven zich in zijn keel. Miclars brul was waarschijnlijk tot in de verste uithoek van het eiland. Iedere Verkar zou het horen.
Toen Miclars schreeuw wegstierf keek hij haar verbijsterd aan. Merths hooghartige blik was terug. Ze wist dat het haar lichtere schutkleur was die had voorkomen dat hij de haal aan had zien komen. Ze droeg de nobele kleur van afwisselend lichtgrijs tot donkergrijs, met hier en daar een pluk wit. Niemand droeg die kleur, behalve zij. En Trancar.
Schaduwen flitsten voorbij. Merth draaide zich om en liet Miclar aan zijn lot over. Zijn verwonding zou hem geen vroegtijdige dood bezorgen, waardoor de Verkar niet achter haar als prooi aankwamen. Miclar zou langzaam sterven, als straf voor de verdorven vraag of ze met hem mee ging. Hij zou bloeden uit duizend wonden voordat hij de genade van de Krijgsheer zou kennen.
Merth was nu slechts een schaduw die door het woud stormde, net als de Verkar die Miclar omsingelden en met hem speelden. Als kat en muis. Vroeger als Midin en mens. Dankzij de Krijgsheer gebeurde dat niet meer. Wie zich bij zijn dorp in de buurt waagde, werd getroffen door de bliksem. Wie ergens anders door stierf viel alsnog in zijn handen. Merth was niet van plan in zijn handen te vallen. Bomen flitsten als wazige vlekken langs haar heen. Een pas gevormd hertenpaar sprintte bij een beekje weg toen zij het water hoog op deed spatten.

Het licht was verblindend. Merth kwam schuivend in het mulle zand tot stilstand. Het woeste water beukte heldhaftig op het eiland in, in een poging gebied te veroveren. De zoute geur verdrong de verse en buitengewoon aangename verse geur van Miclars bloed. Het beukende water overtrof zijn gebrul.
Ze was hier nog nooit geweest. Dit was het territorium van de Verkar. Ze waren allemaal weggelokt door de brul van Miclar, of waren bij de wanhopige jacht naar voedsel geweest, waar Trancar ten prooi aan was gevallen. Daarom was sluipen een deugd voor de Midin. Tot zij en Trancar kozen voor een leven in het licht, in plaats van in de diepe schemering van de nacht. Niemand durfde zich voor Trancars voeten te wagen. Behalve de krijgsheer en de Verkar. Maar een Verkar zou het niet winnen van een Midin, tenzij ze met meer waren. Alleen hier waren ze met meer. Zodra ze het woud betraden werden ze uit elkaar gedreven. De bomen werkten in hun nadeel.
De angst ebde langzaam weg. Het strand was de enige grens die de Midin ervan weerhield de volledige vrijheid van het leven te nemen. Via de zee waren ze hier ooit gekomen. Via de zee zouden ze teruggaan, als de Verkar hen dat niet beletten. Vele Midin overleefden hun aanval niet toen ze op het strand arriveerden, op de dag dat ze intrek namen op het eiland. Nu zou ze teruggaan. Ze wilde dat haar groep deze kans ook zou hebben, maar dat was onmogelijk. Nu ze niet samen met Trancar was gestorven, of hem tenminste was achternagegaan richting de Krijgsheer, was ze een banneling. Het leven was een eer. Maar teruggaan na de dood van haar geliefde was verraad. Hij droeg haar belofte van eeuwige verbintenis, en de zegen van haar familie. Als één van de twee stierf na een eeuwige verbintenis, was het eervol dat de ander hem volgde, of zijn voormalige leven achterliet.
Merth snoof een laatste keer de door het zout vertroebelde geur van het eiland op. Uiterst luidruchtig. Er was niemand om haar te horen. Behalve Trancar, die ongetwijfeld door een gat in het net van de Krijgsheer naar haar keek. Haar geest vulde zich met verdriet. Pas nu de angst weg was, voelde ze het bijtende verdriet. Ze zou haar eer terugvinden.
Ze trok een sprint en belandde met een onmenselijke sprong in het water. De koele zee omhelsde haar. Ze ging terug naar de plaats waar haar voorouders vandaan kwamen. Ze dook onder water. Naast het woud in het volle daglicht was water haar element. Ze moest zwemmen als een tijger, maar de Midin stonden niet voor niets hoger dan hen. Ze zou het redden. Trancar zou trots op haar zijn, en op haar wachten. Op een dag zou ze hem bevrijden uit het net van de Krijgsheer. Maar nu nog niet. Nog niet.

Inwinyàre Aranel
2 February 2008, 22:52
We hebben nog niet de naam van de winnaar, maar wel het verhaal, plus de rapporten. Here goes!

Heel eensgezind hebben Janus en ik voor Eeuwige verbintenis gekozen. Onze meningen over de vier verhalen zijn hieronder te vinden. De winnaar mag SSU 13 bedenken.



Dagelijks Ritueel. Gaaf, het zet aan tot lezen omdat er zo weinig duidelijk is. De climax, het o zo speciale mens en dan de gemaakte fout zijn een goed einde, maar ik had graag meer over het wezen geweten.

Bij Maya wordt mijn nieuwsgierigheid ook wel geprikkeld, maar het schrijven stuit mij soms tegen de borst. Ook de achtergrond van het wezen (in elkaar gezet door een tovernaar) wordt wel erg snel afgehandeld. Aan de andere kant vind ik de brutaliteit van het hoofdpersoon wel erg leuk ^^

De dag dat alles anders werd. Van dit verhaal vind ik de laatste alinea, de uitleg van de titel nog het mooist. Ook worden er verschillende compleet nieuwe rassen geïntroduceerd. Alleen jammer vind ik dat de gebeurtenis naar mijn idee een beetje zijdelings wordt behandeld, omdat dat er per se in moest.

Daarom heb ik als winnaar voor Eeuwige verbintenis gekozen. De Midin en de Verkar, ik word nieuwsgierig naar die rassen, en er wordt ook goed genoeg verteld over hun levensgewoontes.



Net als Paz kies ik voor Eeuwige Verbintenis.
Ik vind het verhaal beter geschreven dan de andere drie
En ik vind het eerlijk gezegd ook het origineelst.

Daarnaast vertelt het verhaal genoeg,
Maar ook niet teveel,
Waardoor deze lezer nieuwsgierig blijft naar meer.
Ik zou hier best graag een vervolg op zien.

Maya is een interessant verhaal met een interessant ras.
Helaas wordt dit ras niet goed genoeg uitgewerkt
(De rituelen en gebruiken, de gebeurtenis)
En voldoet het geheel daardoor minder goed aan de opdracht

Bij Dagelijks Ritueel vind ik het gegeven
Van een non-corporeaal wezen
Erg interessant.

Ik vind dat het goed is uitgewerkt,
Maar ik mis ik hier,
Wellicht net als Paz,
Een beetje de achtergrond van het ras.

Ik vind de achtergrond bij De dag dat alles anders werd veel beter
En ook de gebruiken van het ras zijn goed uitgewerkt,
Mogelijk het best van alle vier de verhalen.

De enige reden
(In mijn ogen)
Waarom dit verhaal het echter aflegt van Eeuwige Verbintenis,
Is dat deze laatstgenoemde beter geschreven is
En de lezer meer weet te grijpen.
Al met al is dit verhaal een zeer waardige tweede.

~ . ~ . ~

De verhalen waren van:

Eeuwige verbintenis - Ramirez
? - raafje
? - Mandrake